"Ga je nu al weer naar het park? Je bent addicted," roept mijn dochter als ik mijn rugzakje weer in pak om naar buiten te gaan. Het klopt. Met dit heerlijk lenteweer is er een onbekende force, die me naar buiten lokt. Voor de tweede keer die dag loop ik het park in. Ik ga eerst naar het zwanenechtpaar. Al vanuit de verte zie ik dat ook vader zwaan bij het nest ligt. Ik loop langs restaurant Halve Maan en van daar een steigertje op. Er staat een reiger te vissen. Ik ga even zitten om de reiger in de gaten te houden.
Het is heerlijk op de steiger. Rechts van me rommelt iemand met een boormachine in de tuin van de Halve Maan. Naast me zingt een roodborst het hoogste lied. Voor me spettert een meerkoetje. Dan zie ik ineens iets minder leuks. Er ligt vlak voor de steiger een gigantische dooie vis. Ik wist niet dat we ze zo groot hadden. Hij is wat roodachtig van kleur, ongeveer een meter lang en al licht in ontbinding. De wind blaast af en toe wat van de bedorven lucht mijn richting op. Het meerkoetje heeft er geen last van en zwemt er rustig om heen op zoek naar voedsel. Ik zou echt niet meer kunnen eten als er zoiets op mijn tafel lag, maar meerkoet heeft er geen problemen mee. Ik zie geen andere dode vissen, dus zal het wel niet om een ziekte in het water gaan.
De reiger heeft iets in het water gezien. Ik zie hoe hij zich naar voren buigt en hoe er zich een bepaalde spanning in zijn lichaam opbouwt. Dan schiet hij naar voren. De duik leg ik niet vast, maar de prooi die hij naar boven haalt krijg ik wel op de foto. Het is een klein visje, kleiner dan de vis die de reiger van gisteren gevangen had en wat volgens mijn man een stekelbaars geweest is.
De reiger slokt het visje in een keer naar binnen. Je ziet het als het ware in zijn hals naar beneden glijden. De hals lijkt opeens dikker en de veren staan ook iets meer overeind. Net als de reiger van gisteren neemt hij direct na het verorberen een snavel met water. Voor het doorspoelen van het visje, vermoed ik.
De reiger heeft genoeg van mij of van de plek, want hij vliegt weg.
Ik sta op en ga naar het zwanenechtpaar wat 50 meter verderop tussen de dorre bladeren ligt. Vader zwaan kijkt op. Je ziet dat hij op zijn hoede is, maar ik mag wel tegen een boom gaan zitten en foto's van hem maken. Ook moeder zwaan kijkt even in mijn richting, maar dan steekt ze onmiddellijk haar kop weer tussen de veren. Het verbaast me weer dat ze niet meteen op me af komen, dat ik zo dichtbij ze mag zitten.
Ik blijf niet te lang zitten, want ik vind het voor vader zwaan niet leuk als hij zo in opperste paraatheid moet zijn. Zijn vrouwtje vertrouwt volledig op hem. Zij slaapt en warmt de eieren. Hij zorgt voor de veiligheid.
Als ik op sta en weg ga gaat vader zwaan zijn toilet maken. Lekker met de snavel door de veren tot ze weer blinken.
Ik loop verder en steek de straat over. Aan de overkant vervolg ik de groenstrook in de richting van het Amstelpark. Langs de waterkant zie ik iets wat lijkt op een voorstadium van de rietsigaren. Ik ga er naar toe om ze te bekijken. Ik laat me in het gras zakken om er een foto van te maken. Ik voel wat geprikkel aan mijn achterste. Toch ga ik verder met de foto, waarvoor ik een rare houding aan moet nemen om de sigaartjes er goed op te krijgen. Als ik op sta besef ik ineens dat ik in de jonge brandnetels heb gezeten. Ze steken enorm en ik voel bulten opkomen. Wat een sufferd ben ik.
| Amstelpark |
Ik ben inmiddels erg dicht bij het Amstelpark gekomen en ik besluit door te lopen. Ik ga over de rode brug het park in. Het is heerlijk rustig zo aan het einde van de dag. Kinderen zijn naar huis, er lopen alleen nog wat andere natuurfanaten rond. Ik sla het pad door het gebied van de beschermde flora en fauna in. Het is een bemost en lommerrijk paadje. Langs de kanten staan wilde bloemen.
Ooit stond hier de Floriade en dat kun je nog steeds zien. Hier en daar staan nog de huisjes die ooit dienden om bezoekers in te ontvangen en informatie te geven. Ze zijn nu een onlosmakend deel van het geheel geworden. In een van de huisjes hangt een plaat van de flora en fauna in het park en ik zie dat de Rosse Woelmuis hier ook is aangetroffen. Nog nooit van gehoord, deze Rosse Woelmuis, maar heerlijk dat hij er is.
Ik ga bij de ooievaars kijken. Ik loop er naar toe via de Rododendronvallei. Er bloeien al verschillende rododendronstruiken in prachtige kleuren. Bijen zoemen en vliegen van bloem tot bloem met stuifmeelpakketjes aan de pootjes. Ik geniet enorm en besef dat dat ook iets is van de laatste tijd: het kunnen genieten!
De ooievaars zitten inderdaad op het nest. Het mannetje staat als een wachter voor de poort midden in het nest. Het vrouwtje ligt. Je ziet alleen een klein stukje van haar kop. Ook deze man is bezig zijn toilet te maken. Kop tussen de veren, vleugels uitkloppen. De mannen in de dierenwereld houden ervan netjes voor de dag te komen.
Ik wil nog even op onze trouwplek kijken. Terwijl ik daar naar toe loop word mijn pad gekruist door twee speelse eekhoorntjes, er landt een boomklever voor mijn voeten en ik heb nog een ontroerende ontmoeting. Terwijl ik langs een prachtig wild paadje loop zie ik
vanuit mijn ooghoek iets bruins door het gebladerte scharrelen. Ik denk aan een konijn, maar als ik dichterbij kom en het niet weg zie schieten vraag ik me af of het dan toch niet iets anders was. Ik laat mijn ogen door het gebladerte gaan. Ineens zie ik een klein zwart kraaloogje en een prachtig glanzend koperbruin verenpak. Ik ga voorzichtig dichterbij. Het dier dat zich daar verscholen houdt verroert zich niet. Het heeft zichzelf dicht tegen de grond gedrukt en het beweegt nog geen veertje. Ik zie dat het een vrouwtjesfazant is, die zich aan mijn blik probeert te onttrekken.
verander in een zonderlinge natuurfreak. Maar het feit dat ik me dat realiseer zal er hopelijk voor zorgen dat ik niet te ver doorsla.
Ik maak me voorzichtig uit de voeten, om het fazantje niet verder te verontrusten.
Terwijl ik me omdraai zie ik vanuit mijn ooghoek een vlinder zitten. Mijn moeder heeft me op alle mogelijke manieren laten zien dat ze er is! Ik ga op een steen zitten om het moment op me in te laten werken.
Drie weken geleden zijn André en ik op deze plek geweest met al onze vrienden en familie en hebben we er Prosecco gedronken. Nu zit ik hier met de spirit van mijn moeder aan mijn zijde. Ik vind het heel mooi.Het is ook zo'n prachtige plek, met die pilaren waar straks de rozen tegen aan zullen groeien.
Het is inmiddels 17:00 uur. Ik ben al uren weg. André is waarschijnlijk al bijna thuis. Ik heb nog geen boodschappen gedaan. Ik moet echt terug.
Ik loop terug langs het water en zie een fuut met zijn bek wijd open, alsof hij gaapt. Zeker moe. Ook klinkt er het geblaat van schaapjes die op een soort van dijkje staan. Alles ademt de sfeer van een lenteavond uit. Ik wil hier een keer 's avonds naar toe. Wie weet zie ik dan eindelijk mijn uil. Hier moet er toch wel eentje zitten. Ik zet er nu een beetje de vaart in. Mijn knobbelteen sp
eelt op, dus ik gooi mijn schoenen uit. Ik bel André die al thuis is en zegt dat hij me tegemoet komt lopen. Met mijn blote voeten loop ik door het koele gras. Het voelt weldadig aan mijn pijnlijke voeten.
Ik loop langs de plek van de schildpadden, maar die liggen er vandaag niet. Wel zie ik in de verte de vertrouwde gestalte van mijn André naderen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten